De dag dat ik een kunstwerk werd / The day I became a work of art

 

Op Arttube is een korte documentaire te zien over dit project. De documentaire is gemaakt door Mario De Munck in opdracht van het Middelheimmuseum.

 

“Dag mijnheer, mevrouw, het is vandaag een heel bijzondere dag in het Middelheimmuseum. Het is DE DAG DAT IK EEN KUNSTWERK WERD. Zal ik u daar iets meer over vertellen?” 

Zo ongeveer werden bezoekers aangesproken door de medewerkers aan dit project. Het Middelheimmuseum inspireerde mij tot dit werk. Maar waarom? Wat is er zo speciaal aan het Middelheimmuseum? Het museum is een betoverende plek. Water met bruggetjes, mooie lanen, oude bomen, heerlijke grasvelden. En dan de beelden die er staan; oude en nieuwe beelden staan vlakbij elkaar, en sommige beelden zijn speciaal voor het museum gemaakt. Ze spreken heel direct aan. Verder zijn er altijd mensen, die dwalen bijvoorbeeld rustig tussen de beelden door, fietsen door het park, spelen op het gras, doen hun werk als suppoost of maken een dagelijkse ronde met hun hond. Het park zelf, de omvang, de bomen, paden en watertjes, maken het rustig en sereen. Het is een heel vanzelfsprekend geheel. Ook de aanwezige mensen zou je kunnen zien als onderdeel van het museum. Als je je verbeelding aan het werk zet, veranderen de mensen die er lopen, stilstaan, rennen en fietsen voor je ogen in bewegende kunstwerken. Ze hoeven daar niets voor te doen, ze zijn het automatisch, gewoon door zichzelf te zijn. DE DAG DAT IK EEN KUNSTWERK WERD vond plaats in 3 weekenden in augustus en september 2017. Bezoekers en medewerkers van het museum werden bij de ingangen van het museum gevraagd een titel te kiezen voor zichzelf. Die titels stonden op kleine metalen bordjes, ongeveer zoals de titelbordjes die in het museum bij de beelden staan. Titels waren eenvoudig en objectief, vaak afgeleid van veelgebruikte titels van kunstwerken.

Verkrijgbaar in de boekwinkel van het Middelheimmuseum: boek met foto’s van het project en teksten van Sara Weyns (directeur Middelheimmuseum), Greet Stappaerts (Hoofd publiekswerking) en Judith van den Berg.Titel: De dag dat ik een kunstwerk werd.

Dit project is mogelijk gemaakt dankzij de ondersteuning en medewerking van het Middelheimmuseum Antwerpen.  Dank aan het CBK Rotterdam voor een aanvullende bijdrage.

 

On Arttube, a short documentary about this project can be seen.
This documentary is made by Mario De Munck and is commissioned by the Middelheimmuseum.

 

During three summer weekends Judith van den Berg realized a temporary artwork in the Middelheimmuseum: The day I became a work of Art

“When walking in the park of the Middelheimmuseum, everything seems an essential part of the total entity. The museum has a serene quality, which seems to dictate that whatever is in there, belongs there. Use your imagination, and see that the people walking, running, working, cycling can transform magically and effortlessly into moving works of art” – Judith van den Berg

These observations inspired Judith van den Berg to develop a special project for the Middelheimmuseum. Visitors were given a title at the entrances of the museum, just like the sculptures in the museum have a title. Titles were available in dutch and in english.

In the bookshop of the Middelheimmuseum: a book with photographs that were taken during the project, with accompanying texts of Sara Weyns (director Middelheimmuseum), Greet Stappaerts (manager of the outreach programme Middelheimmuseum) and Judith van den Berg.
Booktitle: De dag dat ik een kunstwerk werd. (only in Dutch)

This project is made possible by the support and contribution of the Middelheimmuseum in Antwerp.
Thanks to
CBK Rotterdam for an additional contribution.

 

 

 

 

Sara Weyns over De dag dat ik een kunstwerk werd

Het duurde even voor we het juiste moment en de juiste omkadering hadden gevonden voor “De dag dat ik een kunstwerk werd” van Judith van den Berg. Maar toen in september de collectiepresentatie van het Middelheimmuseum van het ene moment op het andere aangevuld werd met talloze ‘figuren’ (met hond, met kind, met vader, van op de rug gezien), gebeurde dat geruisloos en met een ogenschijnlijke moeiteloosheid. Een beetje zoals enkele weken later honderden paddenstoelen zich aandienden in het museumpark, van de ene nacht op de andere, ongemerkt, en in alle mogelijke maten en vormen en kleuren. Deze publicatie vol lachende gezichten, vol ‘maten en vormen en kleuren’, geeft daar een mooi beeld van.

Zo convenabel als het kunstwerk werd geaccepteerd door onze bezoekers, zo netelig werd het echter door mezelf ervaren. Ik had het moeilijk met de bewuste omschakeling van subject naar object, met de noodgedwongen keuzes, met het uitvoeren van een meticuleus uitgeschreven scenario, met de bereidwillige overlevering aan de blik van de toeschouwers. Kwam ik een ‘figuur met hond’ tegen, of een ‘figuur op de rug gezien’, kwam daar ook geen contact van, geen uitwisseling van ervaring. We waren immers object, kunstwerk, en die stellen zich niet voor zoals wij dat doorgaans doen. En alle titels waren bewust gebaseerd op eigenschappen, relationele en meestal waarneembare kenmerken. Maar prikkels – en dus stof voor gesprekken – ontstaan waar ideële stellingen worden ingenomen, waar verschillende waarden of ideeën naast elkaar bestaan, niet per se vanuit een neutrale vaststelling.

Wat dan doet dit werk met het museum? Wat doet het met de relatie tussen de sculpturen en de toeschouwers? Of tussen de toeschouwers onderling? In de gesprekken achteraf, ook naar aanleiding van de lezing die Judith van den Berg gaf, bleek dat mensen een gevoel van samenhorigheid hadden ervaren. Maar interessanter vond ik nog dat het hun blik op de kunstenaar had veranderd. De kunstenaar die niet als maker of eigenaar van een voorwerp het museum betreedt, maar als bemiddelaar. De kunstenaar die niet alleen een eigen visie of vorm bijdraagt, maar die bovendien aanwezig is, aanspreekbaar. De kunstenaar die een bescheiden gebaar maakt, een zachte aanleiding geeft, een verbinding maakt tussen het één en het ander. Een beetje zoals een titelbordje de eerste, eenvoudige manier is waarop de identiteit van het kunstwerk bemiddeld wordt met die van de toeschouwer. En zo zorgt de kunstenaar hier dus wel degelijk voor boeiende gespreksstof: door de ingenomen posities van maker, voorwerp, toeschouwer en bemiddelaar te verschuiven. Door ons toe te laten andere perspectieven uit te proberen.

Dank je wel, Judith van den Berg, voor je aanwezigheid in het museum, voor het vele werk dat natuurlijk aan die schijnbare moeiteloosheid vooraf ging, en voor dit fijne geheugenspoor.

Deze tekst is opgenomen in de publicatie bij De dag dat ik een kunstwerk werd

 

Sara Weyns on The day I became a work of art

It took a while before we had found the right moment and the right framework for “The day I became a work of art” by Judith van den Berg. But when in September the collection presentation of the Middelheimmuseum suddenly extended with countless ‘figures’ (with a dog, with a child, with a father, seen from behind), it happened silently and with an apparent effortlessness. A bit like hundreds of mushrooms in the museum park a few weeks later, from one night to the next, unnoticed, and in all possible sizes and shapes and colors. This publication full of smiling faces, full of ‘sizes and shapes and colors’, presents a beautiful overview.

Our visitors accepted the artwork in a natural way, but for me it felt tricky. I had a hard time with the conscious switch from subject to object, with the forced choices, with the execution of a meticulously written scenario, with the willing surrender to the gaze of the public. When encountering a ‘figure with dog’, or a ‘figure, seen on back’, there seemed to be no contact or exchange of experience. After all, we were object, artwork, and they do not introduce themselves like we usually do. And all titles were consciously based on characteristics, relational and usually observable characteristics. But incitement – and thus material for conversations – arises where idealistic propositions are taken, where different values ​​or ideas coexist, not necessarily from a neutral point of view.

What then is the effect of this work on the museum? What is its effect on the relationship between the sculptures and the public? Or on the relationships between individual members of the public? In the conversations afterwards, also in response to the lecture given by Judith van den Berg, it turned out that people had experienced a sense of belonging to a special group. But, even more interesting I think, it had changed their view on the artist. The artist who does not enter the museum as a maker or owner of an object, but as a mediator. The artist who not only contributes by his own vision or shape, but who is also present, approachable. The artist who makes a modest gesture, gives a soft incentive, makes a connection between different subjects. A bit like a title in a museum is the first, simple way in which the identity of the artwork is meeting the identity of the spectator. So, the artist does indeed provide interesting material here: by shifting the positions of maker, object, spectator and mediator. By allowing us to try out different perspectives.

Thank you, Judith van den Berg, for your presence in the museum, for the hard work that of course preceded the seeming effortlessness, and for this fine memory track.

This text is included in the book that is part of ‘The day I became a work of art’